Home
FR NL
Onze winkels
Contacten
Catalogus
De maten nemen
Confectie
Textielinfos
Stoffen onderhoud
Niews
Jobs
Door de ogen van ...
Links
 
Zich inschrijven voor de newsletter

Verschillende vezels belicht in detail

Natuurlijke vezels

Plantaardige oorsprong Dierlijke oorsprong Minerale oorsprong

Katoen (CO)
Linnen (LI)
Ramie (RA)
Sisal (SI)
Chanvre (CH)
Rubber (CC)

Wol (WO) : kasjmier, alpaga, lamswol, cheviot, angora, mohair, ...
Zijde (SE)
Glas (GL): beschermingsvezels
Metaal : fantasievezels

Katoen:

Het hoofdbestanddeel van katoen is cellulose, een natuurlijke plantaardige vezel. De Gossypium (of katoenplant) produceert de katoenvezels. Het bloempje van de struik verandert in een bolletje, zo groot als een noot; wanneer het vruchtje droogt, spat het open en verschijnt binnenin een massa katoenvezels. Deze vezels worden gedroogd voor het spinnen.Katoen vertegenwoordigt meer dan de helft van de gebruikte textielvezels wereldwijd.

Overal ter wereld worden verschillende soorten katoenplanten gekweekt, met elk hun eigen kenmerken, die sterk beïnvloed worden door het klimaat. Naargelang de oorsprong van het katoen en de kwaliteit van de verwerkingsmethodes ontstaan stoffen en tricots van verschillende kwaliteit.

Katoen wordt vaak puur gebruikt, maar mengelingen komen ook voor.

  • katoen + polyester: polyester versterkt de kreukherstellende eigenschappen en de stabiliteit tijdens het wassen, maar kan pluizen tijdens het dragen bevorderen.
  • katoen + viscose: viscose zorgt voor een glimmend uitzicht, maar kan – in bepaalde gevallen – de stof makkelijker doen krimpen bij het wassen.

Linnen :

Linnen is een natuurlijke plantaardige vezel, waarvoor de plant in talrijke landen gekweekt wordt. Toch werden de belangrijkste ontwikkelingen in de linnenwereld gerealiseerd in België en het noorden van Frankrijk. Om de textielvezels los te maken die gevangen zitten in de schachten van het linnen, gaat met over tot de « roting ». Deze behandeling doet een beroep op de natuurlijke bacteriën die in het bijzonder aanwezig zijn in leliewater. De roting kan ook in de weide gebeuren: de ochtenddauw en de bodembacteriën vervullende dezelfde taak als het leliewater. Tegenwoordig gebeurt de roting het vaakst in de fabriek, in vaten, waarbij de behandeling beter gecontroleerd wordt.

Na de roting worden de schachten van het linnen in de fabriek behandeld en ondergaan ze een aantal opeenvolgende behandelingen zoals het zwingelen (verwijderen van het stro om de vezels te bewaren) en het hekelen (individualisering van de textielvezels).

Linnen wordt puur gebruikt, soms ook vermengd.

  • linnen + acryl (voor huishoudlinnen): makkelijk in onderhoud, droogt sneller, makkelijker om vlekken te verwijderen, stabieler in de was.

Wol :

Wol is een natuurlijke dierlijke vezel die vaak beschouwd wordt als de meest nobele textielvezel. Wij gebruiken de vacht van verscheidene dieren:

  • het schaap: geeft ons de klassieke wol. Naargelang het ras heet de wol merinowol, shetland, ...
  • het lam geeft ons lamswol of cheviot.
  • de geit verschaft ons kasjmier of mohair.
  • het geitenlam biedt ons kidmohair.
  • het konijn biedt ons angora (maar ook angora van geiten bestaat).
  • de alpaca (familie van de kameelachtigen) biedt ons alpacawol.

De wolvezels zijn bedekt met beweeglijke schubben, die vervilting kunnen veroorzaken als de gebreide stof of de stof te warm of te bruut behandeld wordt.

Wol kan vermengd worden met andere vezels:

  • wol + polyester: polyester verbetert de kreukvastheid en de weerstand tegen het slijten, maar kan meer pluizen veroorzaken.
  • wol + acryl: acryl vergemakkelijkt het onderhoud en zorgt ervoor dat de stof sneller droogt.

Zijde:

Zijde is een natuurlijke dierlijke vezel die het aangenaamst is om dragen. De zijdevlinder (Bombix Mori) legt ongeveer 500 eitjes (de latere zijderupsen), die elk veranderen in een larfje. Deze larf voedt zich uitsluitend met bladeren van de moerbeiboom en groeit tot ze 3 a 5 cm is. Op het einde van haar leven sluit de larf zich op in een zijdecocon. De zijderups bezit twee klieren, een aan elke kant van haar mond, die een kleverige en lijmachtige stof afscheiden waarmee de cocon gevormd wordt. Na het drogen zijn de draden heel sterk. De zijderups kan zo volledig beschut haar transformatie aanvatten en verandert in een vlinder wanneer ze haar cocon verlaat. Zo is de cirkel rond.

Opdat de oogst interessant zou zijn voor de mens, moet hij de cocons afnemen vóór de vlinder ontpopt, om te vermijden dat hij de zijdedraden zou vernielen bij het verlaten van de cocon. Een zijdecocon bevat ongeveer 3.000 meter garen en voor 1 kilo bruikbaar materiaal zijn minstens 10.000 cocons nodig. De afwikkeling van de cocons gebeurt manueel en de draden worden getwijnd op kleine zijdetweernmachines vooraleer ze worden omgevormd en op klossen gedraaid voor weverij en breiwerk.

Er bestaan verschillende soorten zijde:

  • ruwe zijde: lichtjes klevende zijde die nog sérécine bevat (klevende was die de draden omgeeft)
  • uitgekookte/gewassen zijde: deze zijde werd gewassen om de sérécine te verwijderen.
  • wilde zijde/tussorzijde: afkomstig van de wilde cocons die geoogst worden in de bossen met moerbeibomen. Veel van deze cocons hebben een gaatje waardoor de vlinder is gaan vliegen. Zij vertonen dus beschadigde vezels en geven stoffen met een paar schoonheidsfoutjes en verdikkingen in de draden.